Lijden als spiegel waarin het niets zichzelf herkent
- 27 apr 2025
- 3 minuten om te lezen
Een stille uitnodiging om te herkennen wat nooit verdwenen is
In lijden lijkt het alsof we de verbinding met onze ware aard verliezen. We ervaren pijn, schuld, schaamte en onvrijheid in onszelf. Tegelijk zien we lijden in de wereld om ons heen: tekorten, onrecht, afgescheidenheid.
Vaak ontstaat er verzet. Tegen wat we voelen in onszelf en tegen wat we zien in de wereld. Alsof het er niet zou mogen zijn. Maar wanneer we stil blijven en dieper kijken, zonder oordeel en zonder verhaal, wordt iets anders zichtbaar.
Lijden is geen vergissing.
Lijden is een spiegel.
Een spiegel waarin het niets, onze ware essentie en het onveranderlijke, zichzelf kan herkennen.
Wat wij als dualiteit ervaren verschijnt binnen die spiegel: licht en donker, liefde en haat, vrijheid en beperking, schuld en onschuld. Niet omdat er werkelijk afgescheidenheid bestaat, maar omdat juist deze contrasten zichtbaar maken wat nooit verdeeld is geweest.
Wanneer schuld verschijnt kan het voelen alsof er werkelijk iets verkeerd is gegaan. Maar wanneer we niet langer vechten of vluchten en schuld laten verschijnen in openheid zonder ermee samen te vallen, wordt iets zichtbaar dat altijd al aanwezig was.
In het midden van schuld verschijnt schuldeloosheid.
Niet als iets dat verdiend moet worden maar als de natuurlijke staat van ons wezen: onaangetast en vrij.
Dat betekent niet dat de ervaring van schuld verdwijnt. Wat verdwijnt is de zwaarte die ontstaat wanneer we geloven dat we die ervaring zijn.
Hetzelfde gebeurt bij angst, tekort of gevoelens van onvrijheid. Ze kunnen het hart verkrampen en het gevoel geven dat er iets ontbreekt. Maar wanneer ze volledig mogen verschijnen zonder dat we ons ermee identificeren, wijzen ze naar iets dat eraan voorafgaat.
De vrijheid die nooit verdwenen is.
De vrede die niet afhankelijk is van omstandigheden.
Lijden ontstaat niet door wat we voelen maar door het geloof dat we zijn wat we voelen.
Wanneer die identificatie ontspant wordt elke ervaring transparant naar haar bron.
Zo wordt lijden geen obstakel maar een poort. Een uitnodiging om terug te keren naar wat nooit veranderd is: het open bewustzijn waarin alles verschijnt, beweegt en weer verdwijnt.
Dat vraagt om niets buiten te sluiten. Ook pijn, angst, schuld en afgescheidenheid zijn manieren waarop bewustzijn zichzelf ontmoet. Niet door de menselijke ervaring te vermijden maar door haar volledig toe te laten.
De wereld met al haar schaduwen en vormen blijkt dan geen hindernis voor herkenning maar de spiegel waarin het onveranderlijke zichzelf ontmoet.
Wat wij niets noemen blijkt niet leeg te zijn in de zin van afwezigheid.
Het niets is vol.
Vol van zijn.
Vol van liefde.
Vol van potentie.
Het is niet iets waaruit wij zijn gevallen. Het is datgene waarin wij altijd al rusten, zelfs wanneer we dat tijdelijk lijken te vergeten.
Elke spiegel die het leven ons aanreikt, elke pijn, elke angst, elke grens, wijst ons terug naar deze herinnering.
Wat wij werkelijk zijn hoeft niet bereikt te worden.
Het hoeft alleen herkend te worden als dat wat nu al aanwezig is onder alles wat verschijnt.
En in die herkenning wordt lijden doorzichtig. Niet omdat de vormen verdwijnen maar omdat hun zwaarte oplost in de openheid waarin ze altijd al verschenen.
Een openheid die niet alleen ziet maar ook liefheeft.
Een hart dat niets buitensluit.
Misschien is dat wat lijden ons uiteindelijk laat zien:
dat we nooit werkelijk van onszelf gescheiden zijn geweest.






Opmerkingen